HInT-artikel van twee weken geleden:
Het wordt langzaam maar zeker winter in Nederland. De koers van de vallende bladeren is al lang verreden. De Olympische Spelen, de Tour de France en het EK voetbal zijn inmiddels een herinnering geworden. Zelfs de berichtgeving over de controverse rond Lance Armstrong begint vervelend te worden. Het grootste deel van de sportminnende bevolking kijkt naar het noorden; naar Thialf, naar het Vikingsschip van Hamar en naar Kolomna. Toch zijn er enkelen die niet (alleen) naar het noorden kijken, maar zich juist richten naar het zuiden, naar de rare Belgen.
Die rare Belgen gaan namelijk niet schaatsen in de winter (al doet inline-skater Bart Swings tegenwoordig heel aardig mee in de wereldtop). Zij hebben hun eigen winters volksfeest. De Belgen worden nu eenmaal gefascineerd door de fiets, ook in de winter. Wat ooit begon als tijdverdrijf en wintertraining van baanwielrenners (toen de wielerbanen uiteraard nog niet overdekt waren, zie de baan van Roubaix, de finish van de klassieke wegwedstrijd Parijs-Roubaix) is inmiddels uitgegroeid tot grote sport in België. Delen van Nederland, Tsjechië, Italië, Zwitserland, Duitsland, Frankrijk en de VS doen inmiddels goed mee in het Belgische geweld.
Zoals gezegd begon de sport rond 1900 als wintertraining van baanrenners. Zij hielden wedstrijden van dorp naar dorp waarbij het geoorloofd was om door de velden te rijden en over hekken te springen. Vaak was de top van de kerktoren (steeple) het enige herkenningspunt in deze races, vandaar de Engelse naam: steeple-chase (zoals het onderdeel bij het hardlopen dat nog steeds zo heet). Loopsecties, of portage, de fiets werd immers gedragen, waren noodzakelijk om ook de bloeddoorstroming in de handen en voeten op gang te houden in het koude winterweer, en om trappen op te komen natuurlijk.
De Fransen, minstens zo wielergek als de Belgen, lieten de wedstrijden plaatsvinden op een afgesloten circuit dat verschillende keren afgelegd moest worden. Vaak ontstonden rond de parcoursen elk jaar markten, zodat het veldrijden uitgroeide tot een waar volksfeest, wat het nu nog is. Het waren ook de Fransen die in 1902 de eerste Nationale Kampioenschapen hielden, snel gevolgd door de Belgen in 1910. Nog andere landen volgden snel. In 1924 werd de eerste internationale wedstrijd gehouden.
Tegenwoordig is er nog steeds sprake van een afgesloten circuit dat een aantal keer afgelegd moet worden. De hoeveelheid ronden is afhankelijk van de rondetijd van de eerste ronde, zodat de tijdsduur altijd rond het uur gelegd kan worden. Elke streek kent zijn eigen karakteristieke parcours: duinen, heuvels of vlak, een ondergrond van vooral klei of sneeuw. Andere obstakels zijn trappen, ‘balkjes’ (rechtopstaande balken die dwars over de weg gelegd worden), zandbakken, slalomstroken (een serie rechte stukken gevolgd door bochten van 90 graden) en kunstmatige beklimmingen.
De afgelopen decennia wordt de sport gedomineerd door Belgen. Zeven van de tien laatste wereldkampioenen bij de mannen waren belgen, in totaal vier verschillende personen. Acht van de tien laatste winnaars van het Wereldbekerklassement bij de mannen waren belgen, ditmaal ook vier verschillende personen. Huidig wereldkampioen is de 26-jarige belg Niels Albert.
Toch ontbreekt er iets in deze wereldkampioenschappen, veldrijden is immers niet te behandelen zonder dé vedette in het huidig peloton te noemen, de ’Kanibaal van Baal’: Sven Nys, 36 jaar jong. Winnaar van de wereldbeker in 2000, 2002, 2005, 2006, 2007, 2008 en 2009. Belgisch kampioen in 2000, 2003, 2005, 2006, 2008, 2009, 2010 en 2012. Op zijn naam staan in totaal 152 overwinningen in het veld. Al met al een indrukwekkende lijst en des te indrukwekkender dat hij ook dit jaar, als toch ‘oude’ sporter, de overwinningen weer snel achter elkaar behaald, maar juist hij mist iets op zijn palmares: Nys werd ‘slechts’ éénmaal wereldkampioen, in 2005 in Sankt-Wendel. Een vlekje dat hij zeker dit jaar op zal willen poetsen.
De oudgediende Sven Nys is een uitzondering die de regel bevestigt, want veel succesvolle (vaak niet-belgische) veldrijders stappen over naar de weg. Al heeft Nys wel enkele wegwedstrijden, waaronder Parijs-Roubaix, gereden in het verleden. Een voorbeeld van zo’n succesvolle veldrijder die overstapt naar de weg is de wereldkampioen in het veld van 2010 en 2011, de nu 26-jarige Tsjech Zdeněk Štybar. Hij richt zich in dienst van de Omega-Pharma-Quick Step ploeg nu volledig op de weg.
In Nederland hebben wij er ook zo een: Lars Boom. Boom werd in 2008 al wereldkampioen veldrijden, bij zijn eerste wereldkampioenschap bij de elite, toen hij slechts 23 jaar oud was. In datzelfde jaar werd hij Nederlands kampioen op de weg en in het tijdrijden. Hij was op dat moment (en misschien is hij dat nog steeds wel) de meest talentvolle veldrijder die er rond reed. Boom vervolmaakte met zijn wereldtitel een serie die pas één iemand, de Tsjech Radomír Šimůnek senior, hem voor had gedaan: hij was wereldkampioen geworden in alle leeftijdscategorieën van het veldrijden: de Jeugd, de Beloften en de Elite. Na 2008 richtte hij zich steeds meer op de weg. Al bleef hij tot 2010 een enkele veldrit meepikken: Ik zal niet snel de angst vergeten van de Belgische wielercommentatoren toen Boom in 2010 voor het eerst weer meedeed in een Wereldbekercross in Zolder en deze gelijk ook maar even won. Men was ervan overtuigd dat hij ook het wereldkampioenschap zou rijden (en dus zou winnen), al had Boom nadrukkelijk gezegd dat niet te zullen doen. Sinds Booms overgang naar de weg is Nederlands succes bij het veldrijden voor de mannen weer sterk verminderd, al houden Marianne Vos en Daphny van den Brand nog steeds huis bij de vrouwen.
Maar ook bij de mannen is er hoop: de 21-jarige Lars van der Haar. Van der Haar rijdt voor het eerste jaar mee bij de elite en is verschillende malen in de top 10 van Wereldbekercrossen geëindigd. Hij heeft daarnaast al aangegeven dat hij zich niet snel van het veldrijden af zal keren. Als wielerliefhebber hoop ik dat Van der Haar het Nederlands publiek iets vaker naar het Zuiden zal laten kijken. Maar laat dat nog maar een jaartje of twee duren, voordat er weer een wielertalent onder de druk van de media bezwijkt.